De Wet straffen en beschermen

16 mei 2021, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

De Wet straffen en beschermen
“Wet van 24 juni 2020 tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwet, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling.”

Binnenkort treedt de ‘Wet straffen en beschermen’ in werking. Dit zal naar verwachting op 1 juli 2021 zijn. Met deze wet wordt de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen gewijzigd. De essentie van deze wet is dat veroordeelden van zware misdrijven voortaan niet meer vrijkomen nadat zij 2/3e  van hun gevangenisstraf hebben ondergaan. De voorwaardelijke invrijheidstelling (V.I.) gaat bovendien maximaal twee jaar voor het einde van de straf in en niet eerder, zoals thans het geval is. Het Openbaar Ministerie (O.M.) zal daarbij per geval de afweging maken of een gedetineerde eerder vrij kan komen. Dit gebeurt op basis van een evaluatie van het gedrag van de gedetineerde, de slachtofferbelangen en het gevaar (voor herhaling) voor de maatschappij. Ook verlof wordt minder vrijblijvend en vanzelfsprekend. Alleen als de gedetineerde zich goed gedraagt, komt hij in aanmerking voor verlof. Wie zich volgens het O.M. onvoldoende inzet, zet zijn verlof op de tocht. Ook kan het O.M. bij slecht gedrag besluiten dat een gedetineerde nog geen V.I. krijgt.

Wat gaat er precies veranderen?

Het verlofstelsel

Het algemeen verlof en regime-gebonden verlof komen te vervallen. Daarvoor in de plaats komt het re-integratieverlof. Re-integratieverlof is alleen toegestaan wanneer het een concreet re-integratiedoel dient, zoals het vinden van werk of een woning.

De Beperkt Beveiligde Inrichtingen (BBI) en Zeer Beperkt Beveiligde Inrichtingen (ZBBI) verdwijnen. Daarvoor in de plaats komt de Beperkt beveiligde afdelingen (Bba). In de laatste fase van de detentie kan een gedetineerde vanuit de Bba buiten de gevangenismuren gaan werken.

Om voor de Bba in aanmerking te kunnen komen, vindt door het O.M. een evaluatie plaats van het gedrag van de gedetineerde, de slachtofferbelangen en het gevaar (voor herhaling) voor de maatschappij.

De voorwaardelijke invrijheidstelling (V.I.)

Ook wordt het stelsel van de V.I. gewijzigd. Veroordeelden zullen niet meer van rechtswege in aanmerking komen om voorwaardelijk in vrijheid te worden gesteld. In plaats daarvan zal per individuele gedetineerde, op eigen aanvraag, een beslissing worden genomen over de voorwaardelijke invrijheidstelling en de daarbij behorende voorwaarden. Ook voor deze aanvraag wordt door het O.M. gekeken naar het gedrag van de gedetineerde, de slachtofferbelangen en het gevaar (voor herhaling) voor de maatschappij.

De V.I.-periode mag nog maximaal twee jaar bedragen. In de huidige regeling kan de V.I. maximaal 10 jaar bedragen. Iedereen die is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar of meer zal hiervan de gevolgen ondervinden. Wanneer iemand bijvoorbeeld een gevangenisstraf opgelegd krijgt van 18 jaren, dan komt diegene onder de huidige regeling na 12 jaar in aanmerking voor V.I. De V.I. ziet dan op de resterende straf van 6 jaren. Met de nieuwe regeling komt diegene echter pas na 16 jaren in aanmerking voor een V.I. De V.I. ziet dan op de resterende twee jaar. Deze nieuwe regeling geldt voor iedereen die na de inwerkingtreding van de wet wordt veroordeeld.

Het O.M. bepaalt dus of de veroordeelde voor V.I. in aanmerking komt. Dat gebeurt zonder bemoeienis van een rechter. Wel staat er gelukkig een rechtsmiddel open tegen een negatieve beslissing. Wanneer het O.M. beslist dat een veroordeelde niet in aanmerking komt voor V.I., kan hij tegen deze beslissing binnen twee weken bij de rechtbank een bezwaarschrift indienen. De rechter zal hierbij echter slechts terughoudend mogen toetsen of het O.M. in redelijkheid heeft kunnen komen tot de afwijzende beslissing. In de tussentijd blijft de gedetineerde vastzitten; het bezwaarschrift heeft geen opschortende of schorsende werking.

Het penitentiair programma (P.P.)

Het penitentiair programma blijft dan ook behouden en biedt een voorwaardelijk kader om gedetineerden geleidelijk voor te bereiden op hun terugkeer in de samenleving. Het penitentiair programma wordt gereserveerd voor straffen waarbij een gedetineerde niet in aanmerking kan komen voor V.I. (b.v. straffen van een jaar of korter). Ook worden de criteria voor deelname aan het penitentiair programma meer gelijkgesteld aan de criteria voor het verlenen van V.I.

Overgangsrecht

De nieuwe wet gaat zoals gezegd gelden voor iedereen die na inwerkingtreding van de wet (waarschijnlijk 1 juli 2021) wordt veroordeeld. Voor iemand die onder de huidige regeling wordt veroordeeld, kan een straf gunstiger uitvallen dan voor iemand die na juli 2021 voor hetzelfde feit tot dezelfde straf wordt veroordeeld.

Dit kan aanleiding zijn voor de veroordeelde om niet in hoger beroep te gaan, zeker wanneer door de rechtbank een gevangenisstraf van 6 jaren of meer is opgelegd. Zou de rechtbank bijvoorbeeld vóór 1 juli 2021 een gevangenisstraf opleggen ter hoogte van (bijvoorbeeld) 9 jaren, dan komt diegene onder de huidige regeling na 6 jaren automatisch in aanmerking voor V.I. Gaat de veroordeelde hiertegen in hoger beroep en wordt zijn zaak door het gerechtshof ná 1 juli 2021 behandeld, dan zal hij langer in detentie verblijven wanneer hij door het gerechtshof tot dezelfde gevangenisstraf van 9 jaren wordt veroordeeld. Immers, dan is de Wet straffen en beschermen reeds van toepassing en kan de veroordeelde pas na 7 jaren in aanmerking komen voor de V.I. Daarbij dient hij hiertoe zelf een verzoek in te dienen en wordt er gekeken naar zijn gedrag gedurende de gehele detentie, eventuele risico’s en de belangen van slachtoffer(s) en de samenleving.

Conclusie

De vrijheden en rechten van gedetineerden worden met de inwerkingtreding van de Wet straffen en bescherming aanzienlijk beperkt. Veroordeelden zullen in veel gevallen langer in (kale) detentie verblijven, terwijl de periode om begeleid te worden op een terugkeer in de samenleving veel korter is. In de ergste gevallen zal bij vrijlating helemaal geen begeleiding hebben plaatsgevonden. Wat mij betreft ligt met deze wet de nadruk op zwaarder ‘straffen’. Hoe deze wet zich verhoudt tot het uitgangspunt ‘beschermen’ is mij gelet op de verandering van de re-integratiemogelijkheden ook niet duidelijk!

Resumé

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • De voorwaardelijke invrijheidstelling (v.i.) wordt maximaal 2 jaar. Nu is dat nog 10 jaar.
  • Verlof wordt minder vrijblijvend en vanzelfsprekend (enkel mogelijk als dit is gericht op re-integratie).
  • De (Zeer) Beperkt Beveiligde Inrichtingen (BBI en ZBBI) verdwijnen. Gedetineerden kunnen in de laatste fase van hun detentie buiten de muren aan het werk in de nieuwe Beperkt Beveiligde Afdeling (BBA).
  • Het Penitentiair Programma (PP) vervalt voor gedetineerden die langer dan 1 jaar straf hebben en duurt op grond van de nieuwe wetgeving maximaal 2 maanden.

Koningsdag

27 april 2021, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Zijne Majesteit Koning Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Jonkheer van Amsberg, is vandaag jarig en wordt 54 jaar!
Leve de Koning! Hoezee!

Op een dag als vandaag is het interessant om eens stil te staan bij de ontwikkeling van de strafbaarstelling omtrent majesteitsschennis, want hoe zit het eigenlijk met het beledigen van de Koning en Koningin? Is dat (extra) strafbaar?

Majesteitsschennis is in Nederland al strafbaar sinds 1830. Bij de totstandkoming van het Wetboek van Strafrecht in 1886 zijn strafbepalingen opgenomen aangaande het beledigen van de Koning, de echtgenoot van de Koning, de vermoedelijke opvolger van de Koning en/of van diens echtgenoot (art. 111-113 Sr). Op het beledigen van de Koning stond een maximale gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren (artikel 111 Sr. – oud). Op het beledigen van de Koningin stond een maximale gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren (artikel 112 Sr. – oud). Het beledigen van de Koning en Koningin was strafbaar gesteld als misdrijf tegen de Koninklijke waardigheid.

De reden van de strafbaarstelling was gelegen in de gedachte dat de Koning of Koningin zich in geval van een belediging niet publiekelijk zou kunnen verdedigen. De Koning/Koningin vervult een belangrijke symbolische positie en heeft hier niet zelf voor gekozen. Hij/zij behoorde zodoende beschermd worden tegen geuite beledigingen.

Op 22 april 2016 werd er door Tweede Kamerlid Verhoeven (D66) een initiatiefvoorstel aanhangig gemaakt voor het laten vervallen van bijzondere strafbepalingen inzake belediging van staatshoofden en andere publieke personen.[1] De strafbepalingen werden niet meer van deze tijd geacht en zouden leiden tot een ongerechtvaardigde beperking van de vrijheid van meningsuiting. Bovendien zouden de reeds bestaande commune beledigingsdelicten in het Wetboek van Strafrecht ook volstaan voor een strafbaarstelling van belediging van (leden van) het Koningshuis. Denk hierbij aan smaad en smaadschrift (art. 261 Sr), laster (art. 262 Sr) en eenvoudige belediging (art. 266 Sr). Een bijzondere strafbaarstelling hiervoor werd zodoende niet langer nodig geacht.[2]

De vrijheid van meningsuiting, zoals vastgelegd in artikel 10 van het Europese Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) is niet absoluut, maar mag ook niet zomaar worden ingeperkt. Uit de jurisprudentie van het Europese Hof ter bescherming van de Rechten van de Mens (EHRM) kan worden geconcludeerd dat een gevangenisstraf voor majesteitsschennis, en überhaupt een bijzondere strafbepaling daarvoor, zich zeer moeizaam tot artikel 10 EVRM verhoudt. Een dergelijke bescherming is in de ogen van het EHRM al snel buitenproportioneel of zonder voldoende grond, en daarmee in strijd met het EVRM. Een dergelijke beperking van de vrijheid van meningsuiting beperkt daarbij bovendien de mogelijkheden voor het maatschappelijk debat, terwijl dat in een democratische samenleving juist nodig en wenselijk is.

Het belang van de vrijheid van meningsuiting in relatie tot de behoefte van afschaffing van majesteitsschennis, werd dus vooral gekoppeld aan het politieke en maatschappelijke debat, in de ruimste zin van het woord. Ook van belang hierbij is de ontwikkeling waarin de Koning zich steeds meer bedient van professionele woordvoerders, goed voorbereide interviews en mediastrategieën. Ministers zijn daarvoor verantwoordelijk. Daardoor verliest de gedachte dat de Koning zich niet kan verdedigen aan betekenis. Daarbij gold al dat cabaretiers, cartoonisten en columnisten in geval van kritiek en spot ten aanzien van de Koning en/of Koningin vanouds konden rekenen op een terughoudend vervolgingsbeleid. In de huidige tijd maakt een grote schare twitteraars en critici er echter ook werk van om zo scherp mogelijk (online) kritisch te debatteren. Ook dat wordt meestal ongemoeid gelaten.

Het werd dus tijd voor afschaffing van de aparte strafbaarstelling van majesteitsschennis. Hoewel het wetsvoorstel hiertoe al in 2016 werd ingediend, is de wet uiteindelijk op 15 mei 2019 ondertekend en op 5 juni 2019 gepubliceerd in het Staatsblad (Stb. 2019, 187). De artikelen ter zake majesteitsschennis (dus de belediging van de Koning en Koningin; 111 t/m 113 van het Wetboek van Strafrecht) zijn met de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Strafrecht per 1 januari 2020 komen te vervallen.

Is het dan nu niet meer strafbaar om de Koning en Koning te beledigen? Jawel! Belediging is in zijn algemeenheid strafbaar gesteld in het nieuwe Wetboek van Strafrecht (art. 261 t/m 271 Sr.). Daarbij is in artikel 267 Sr. bepaald dat de straffen voor belediging van de Koning (of diens echtgenoot of opvolger) met 1/3e kunnen worden verhoogd. Daarmee staat belediging van de Koning qua strafmaat nu gelijk aan belediging van hulpverleners of een ambtenaar in functie (politieagent).

Het verschil tussen een vervolging en veroordeling ter zake majesteitsschennis en belediging (nu) is dat voor majesteitsschennis elke belediging strafbaar was en kon leiden tot een vervolging, ook als de Koning zelf niet wist dat hij beledigd was. Smaad, smaadschrift, laster en eenvoudige belediging (zoals strafbaar gesteld in de artikel 261 Sr. t/m 271 Sr.) zijn daarentegen klachtdelicten: er wordt alleen tot vervolging overgegaan indien door het slachtoffer een klacht wordt ingediend. In de artikelen 64 en 65 Sr wordt geregeld wie de klachtgerechtigde is. In de regel is dat degene tegen wie het feit is begaan. In het geval van belediging van de Koning(in) is derhalve de Koning(in) de klachtgerechtigde. Dat houdt in dat de Koning(in) eerst formeel een klacht moet indienen wegens smaad, laster of eenvoudige belediging. Die klacht omvat het uitdrukkelijke verzoek aan het O.M. om over te gaan tot vervolging. Dat betekent ook dat de Koning(in) op enig moment kennis heeft moeten kunnen nemen van de geuite belediging. En waar dat voorheen voor een strafrechtelijke vervolging niet noodzakelijk was, omdat de Koning(in) per definitie beschermd diende te worden, is het nu dus maar de vraag of de Koning(in) van elke geuite belediging ook kennis heeft genomen dan wel heeft kunnen nemen en of hij/zij vervolgens zelf de moeite neemt om een klacht in te dienen met het verzoek om over te gaan tot strafrechtelijke vervolging. Desalniettemin is het beledigen van de Koning(in) dus nog altijd strafbaar.

[1] Kamerstukken II, 2015/16, 34456, nr. 2 (Initiatief wetsvoorstel).
[2] Memorie van toelichting behorend bij het wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES teneinde enkele bijzondere bepalingen inzake belediging van staatshoofden en andere publieke personen en instellingen te doen vervallen. Kamerstukken II 2016/17, 34456, nrs. 3 en 6 (memorie van toelichting).

Een vuurwerkexplosie; een zaak die alleen maar verliezer kent

26 februari 2021, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Tijdens de jaarwisseling vindt er op 1 januari 2019 even na 00:00 uur een afschuwelijk incident plaats; de aanhanger van cliënt explodeert, hetgeen enorme schade tot gevolg heeft. De buurman van mijn cliënt komt te overlijden. Het vermoeden is dat het slachtoffer op zijn borst is getroffen door één van de rondvliegende brokstukken van de aanhanger. Het O.M. houdt cliënt om die reden verantwoordelijk voor het overlijden van het slachtoffer; het is immers de aanhanger van cliënt die is ontploft. Nu een aanhanger logischerwijs niet zomaar kan ontploffen, gaat het O.M. er vanuit dat er (illegaal) zwaar vuurwerk op de aanhanger heeft gelegen, dat door cliënt is afgestoken. Het vuurwerk zou vervolgens – al dan niet door een technische fout – in zijn geheel zijn ontploft.

Buiten kijf staat dat de gevolgen van de explosie verschrikkelijk zijn en helaas onomkeerbaar.

De vraag die in de strafrechtelijke procedure tegen mijn cliënt moet worden beantwoord, is of cliënt door opzettelijk handelen zijnerzijds, dan wel door middel van grove schuld c.q. nalatigheid, verantwoordelijk kan worden gehouden voor de ontstane explosie en het overlijden van het slachtoffer. Die vraag kan wat mij betreft enkel ontkennend worden beantwoord.

Het O.M. dient te bewijzen dat cliënt, zoals het O.M. stelt, zwaar illegaal vuurwerk op zijn aanhanger had liggen en dat ook heeft afgestoken. Vervolgens moet de causaliteit tussen het afsteken van het vuurwerk én de explosie vastgesteld kunnen worden. Cliënt ontkent echter heel stellig dat hij dergelijk vuurwerk op de aanhanger had liggen, laat staan dat hij dit vanaf de aanhanger zou hebben afgestoken. Op basis van het explosievenonderzoek en het aanvullend explosievenonderzoek, dat is verricht op verzoek van de verdediging, kan niet worden bewezen wat de ontploffing precies heeft veroorzaakt. Evenmin kan op basis van het explosievenonderzoek worden vastgesteld wat er precies (aan eventueel vuurwerk) op de aanhanger heeft gelegen. De vele getuigenverklaringen en de filmpjes die ten tijde van de explosie zijn gemaakt, bieden evenmin soelaas. Ook die bewijsmiddelen kunnen niet leiden tot een bevestiging van het vermoeden van het O.M.

Nu de ontploffing dus niet verklaard kan worden op basis van de resultaten van het explosievenonderzoek, doch evenmin aan de hand van getuigenverklaringen en overige bewijsmiddelen, blijft het nog altijd de vraag hoe die ontploffing heeft kunnen ontstaan en wie daarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. De verdediging houdt er rekening mee dat er door een derde zwaar illegaal vuurwerk (zoals één of twee Cobra´s8) op de aanhanger is gegooid, ten gevolge waarvan de aanhanger is ontploft. Dit scenario past binnen de bewijsmiddelen in dit dossier en wordt door het (aanvullend) explosievenonderzoek wat de verdediging betreft niet uitgesloten. De verdediging heeft dit meer dan aannemelijke scenario heel concreet en goed onderbouwd aan de rechtbank voorgelegd.

Nu op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat cliënt vuurwerk op de aanhanger heeft gehad, dat hij vuurwerk vanaf de aanhanger heeft afgestoken en/of dat hij enige andere handeling heeft verricht die heeft geleid tot de ontploffing, heeft de verdediging integrale vrijspraak bepleit. Dat geldt temeer nu er een reel en goed onderbouwd concreet alternatief scenario is, op basis waarvan de ontploffing goed kan worden verklaard.

Het is nu aan de rechtbank in deze zaak tot een vonnis te komen. De eis in deze zaak is overigens niet 18 jaar, maar 18 maanden. De uitspraak is op 1 april 2021. Wat die uitspraak ook zal zijn, het zal voor niemand bevredigend zijn; deze zaak kent alleen maar verliezers.

Bekijk hier de (summiere) rapportage van Hart van Nederland

UPDATE 1 APRIL 2021
Cliënt is bij vonnis van de rechtbank vrijgesproken van de jegens hem gerezen verdenking van het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing, nu kort gezegd – en conform hetgeen door de verdediging is bepleit – niet bewezen kan worden wie verantwoordelijk is geweest voor het ontstaan van de ontploffing.
Lees hier het laatste nieuws over deze zaak op NOS.nl.

Wildplassen; mag dat en hoe is dat strafbaar gesteld?

16 december 2020, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Wildplassen; mag dat en hoe is dat strafbaar gesteld?Deze vragen worden door mij beantwoord in dit interview op NPO1.

Kennelijk is de nood hoog en rijst deze vraag nu openbare toiletten en gelegenheden gesloten zijn vanwege de COVID-maatregelen.

Wildplassen is niet strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht (Sr.) strafbaar. Wel biedt het Wetboek van Strafrecht aan o.a. gemeenten de mogelijkheid om bepaalde overtredingen strafbaar te stellen middels een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Op die manier kan wildplassen dus strafbaar worden gesteld en kan hiervoor ook een boete worden opgelegd.

Wanneer gemeenten ten aanzien van wildplassen geen specifieke bepalingen hebben opgenomen in de APV, kan echter niet worden gesteld dat wildplassen in die gemeenten dus niet strafbaar is. Het wildplassen an sich is dan wellicht niet strafbaar, maar handelen in strijd met de openbare zeden door bijvoorbeeld het tonen van een geslachtsdeel en/of de ontblote billen, is wel degelijk strafbaar gesteld in het Wetboek van Strafrecht! Dat levert namelijk een schennis van de eerbaarheid op. Dat is een zedendelict. Bij een veroordeling voor een zedendelict zal de verdachte voor de rest van zijn leven als zedendelinquent worden aangemerkt, met alle negatieve gevolgen van dien, terwijl de feitelijke handeling (wildplassen als de nood hoog is) eerder iets van baldadigheid weg heeft, dan schennis van de eerbaarheid. Schending van de eerbaarheid is strafbaar gesteld in artikel 239 van het Wetboek van Strafrecht.

Natuurorganisaties kunnen wildplassen dan wel oogluikend toestaan, echter de politie mag wettelijk gezien overgaan tot aanhouding vanwege schending van de eerbaarheid en het O.M. mag op haar beurt vervolgens overgaan tot een strafrechtelijke vervolging. Natuurorganisaties kunnen zich daar niet in mengen en een strafrechtelijke vervolging niet tegengaan.

Denk dus goed na over de mogelijke gevolgen wanneer je je broek laat zakken als de nood hoog is!

Beluister hier het gehele interview op NPO1. 

Meld je nu aan voor de gratis webinar ‘strafrecht’ op 4 januari 2021

Vrijspraak voor vermeende tipgevers in de zaak van de gewelddadige overval op Mien Graveland te Helmond (2014)

30-11-2020, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Bron foto: Eindhovens dagblad.

Vandaag, 30 november 2020, is client ook in hoger beroep vrijgesproken van het medeplegen van medeplichtigheid bij gekwalificeerde doodslag.

Cliënt zou volgens het O.M. een van de vermeende tipgevers zijn. Hij zou tegen één van de verdachten in deze zaak hebben gezegd dat er bij mevrouw Graveland veel geld te halen was. Cliënt ontkent dit echter zeer stellig. Cliënt was door de rechtbank al vrijgesproken van vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs is. Vandaag is cliënt ook door het gerechtshof vrijgesproken.

De 3 hoofdverdachten zijn door het gerechtshof veroordeeld. Twee van hen hebben hogere straffen gekregen dan in eerste aanleg. Lees daar o.a. hier en hier meer over.

 

 

Wist je dat…

7-11-2020, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Ontsnappen uit een gevangenis in Nederland niet strafbaar is?

Voordat je plannen gaat maken; het ontsnappen zelf is niet strafbaar. Dit betekent feitelijk het ongehinderd de gevangenis uitlopen. In de praktijk ontsnapt een gevangene natuurlijk niet door ongehinderd de gevangenis uit te lopen. Een gevangene moet eerst langs allerlei bewakingsposten en door automatisch vergrendelde deuren om de uitgang te kunnen bereiken. Ontsnappen doe je dus meestal op een andere manier. Daardoor begaat een gedetineerde bij een ontsnapping al snel een of meer andere strafbare feiten. Denk aan het forceren van een deur, het vernielen van een raam of het bedreigen van een bewaker. Geheel straffeloze ontsnappingen komen dus zelden voor.

Daar komt bij dat wanneer een gevangene ontsnapt, dit ook om andere redenen meestal niet geheel straffeloos is. Wordt een gedetineerde niet gestraft en veroordeeld op grond van het strafrecht, dan zal hij na een poging tot ontsnapping vaak onmiddellijk worden overgeplaatst naar de zwaarst beveiligde inrichting in Nederland, de EBI in Vught. Daar zal de directeur van de gevangenis alle verloven en andere privileges intrekken.

Is de ontsnappingspoging geslaagd?

Uit de praktijk blijkt dat de meeste ontsnapte gedetineerden het niet lang volhouden. Ze worden namelijk direct na hun ontsnapping gesignaleerd in nationale en internationale politiesystemen. Vrij reizen is onmogelijk en een specialistisch team van de politie – het team Fugitive Active Search Team NL (FastNL) – zet direct de achtervolging in. Veel voortvluchtigen kiezen daarom voor een vlucht naar het buitenland. Maar ook in het buitenland is het niet eenvoudig om onder de radar te blijven. Nederland heeft met de meeste landen in wereld verdragen die zien op het opsporen en uitleveren van gezochte personen. Met landen waarmee Nederland geen verdrag heeft, bestaat de mogelijkheid om incidentele afspraken te maken. Het is dus lastig om uit handen van de Nederlandse justitie te blijven.

Ontsnappen uit een gevangenis is dus in beginsel niet strafbaar, maar of je er de vruchten van plukt?!

Heb je hierover vragen? Neem dan contact met ons op.

Een verhoor als getuige met de rechten van een verdachte

21-10-2020, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Vandaag stond ik een cliënt bij tijdens het verhoor bij de politie. Als strafrechtadvocaat verleen ik met grote regelmaat bijstand aan cliënten tijdens het politieverhoor. Maar dit was een bijzonder geval. Het ging om een getuigenverhoor, waarbij de getuige mogelijk in een later stadium als verdachte zou kunnen worden aangemerkt. Zeer waarschijnlijk, zo vermoed ik, op basis van zijn eigen nog af te leggen verklaring. Daarom besloot de officier van justitie dat aan deze getuige tijdens het verhoor de rechten van een verdachte moesten toekomen. Daarom besloot ik mijn client te adviseren van het zwijgrecht gebruik te maken.

Verdachte versus getuige 

Waar je er als verdachte in sommige gevallen (zeker niet in alle gevallen!) verstandig aan doet een verklaring af te leggen, is dat in deze casus niet zo. Kennelijk was er op basis van het tot dan toe verrichtte opsporingsonderzoek te weinig belastend bewijsmateriaal om de getuige als verdachte aan te merken. Het afleggen van een verklaring zou in dit geval derhalve juist kunnen bijdragen aan het verkrijgen van de status verdachte. Hoe onschuldig die verklaring ook lijkt. Elke discrepantie in de verklaring van de getuige zou mogelijk kunnen leiden tot een verdachtmaking. Datzelfde geldt wanneer de verklaring op essentiële punten onverhoopt niet overeen zou komen met bepaalde onderzoeksresultaten. Mijn advies was daarom om in dit stadium geen verklaring af leggen en dus een beroep te doen op het zwijgrecht. Als verdachte heb je een algeheel zwijgrecht. Dat betekent dat je bij elke vraag – ongeacht de aard ervan – mag zwijgen.

Rechten en plichten als getuige – verschoningsrecht

Als getuige ben je echter verplicht de waarheid te verklaren en moet je in beginsel alle vragen beantwoorden. Wat veel mensen niet weten, is dat je niet verplicht bent om als getuige voor een verhoor bij de politie te verschijnen. Word je dus door de politie opgeroepen als getuige, dan hoef je daaraan geen gehoor te geven en hoef je niet met de politie mee te werken. Wanneer je echter wordt opgeroepen om als getuige te verschijnen voor de rechter, bent je wel verplicht om te verschijnen en kun je zelfs als je niet verschijnt door de politie worden opgehaald. Omdat je bij de rechter dus wel verplicht bent om als getuige te verschijnen en een verklaring af te leggen, komt je tijdens het verhoor bij de rechter een verschoningsrecht toe. Het verschoningsrecht betekent dat je geen antwoord hoeft te geven op vragen waarmee je jezelf (of echtgenoot / directe familie) strafrechtelijk zou belasten. Bijvoorbeeld wanneer je met de beantwoording van een vraag zou moeten bekennen dat je een strafbaar feit hebt begaan. Dergelijke vragen hoef je ook niet over je echtgenoot en/of directe familieleden te beantwoorden. Wanneer een beroep wordt gedaan op het verschoningsrecht, dient per vraag te worden beoordeeld of de getuige zich ten aanzien van die vraag op zijn verschoningsrecht kan beroepen. Het verschoningsrecht ziet namelijk alleen op vragen waarbij de beantwoording ervan zou kunnen leiden tot strafrechtelijke consequenties. Alle andere vragen moeten worden beantwoord. Bij een weigering om te antwoorden, kan een getuige worden gegijzeld, totdat hij bereid is antwoord te geven. Wanneer het vermoeden bestaat dat een getuige bepaalde vragen niet wil beantwoorden en om die reden bijvoorbeeld zegt zich niets te kunnen herinneren, kan een getuige onder ede worden gesteld. Als dan vast komt te staan dat een getuige liegt, dan kan hij worden vervolgd voor meineed. Daarop staat een gevangenisstraf. In geval van meineed is de officier van justitie verplicht over te gaan tot strafrechtelijke vervolging.

Zwijgrecht

In dit geval heeft mijn cliënt zich – als getuige – beroepen op zijn (algehele) zwijgrecht.Een zwijgrecht als getuige is dus, zoals gesteld, uitzonderlijk. Een beroep doen op het zwijgrecht is overigens niet voor iedereen zo gemakkelijk als het lijkt. Wanneer je als verdachte een beroep doet op je zwijgrecht, stelt de politie doorgaans namelijk wel alle vragen. Elke vraag moet dan beantwoord worden met ‘zwijgrecht’. Voor veel cliënten voelt een beroep op het zwijgrecht ongemakkelijk. Het voelt alsof zij iets te verbergen hebben, terwijl dat niet zo is. Voor cliënten die doorgaans graag het gesprek aangaan, voelt voelt het ongemakkelijk om het gesprek niet aan te gaan. Zij zijn vaak geneigd dan toch steeds (kort) antwoord te geven op de vragen. Juist omdat alle vragen worden gesteld en er een soort gesprek plaatsvindt. Iets wat de politie ook uit tactisch oogpunt doet; wanneer de politie merkt dat iemand ondanks het advies om te zwijgen toch geneigd is steeds (een kort) antwoord te geven, dan maakt de politie daar vaak gebruik van en probeert zij door de vraagstelling toch antwoorden te ontlokken.

Het is dus altijd van belang een advocaat mee te nemen naar verhoor; zeker wanneer je wordt gehoord als getuige, met de rechten van een verdachte. Laat je in dat geval altijd voor het verhoor door een advocaat adviseren en informeren over je rechten en plichten. Wil je hierover meer weten of heb je specifieke vragen? Wens je onze bijstand tijdens een politieverhoor? Neem dan contact met ons op!

Conceptwetsvoorstel ´Verhoging wettelijk strafmaximum doodslag´

25-09-2020, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

De maximale gevangenisstraf voor doodslag moet omhoog van 15 naar 25 jaar. Hiervoor hebben de ministers Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) en Sander Dekker (Rechtsbescherming) donderdag een wetsvoorstel ingediend. De maatregel was eerder al aangekondigd.” (Bron: nu.nl)

Levenslange gevangenisstraf versus tijdelijke gevangenisstraf

In Nederland zijn er twee soorten gevangenisstraffen: de levenslange gevangenisstraf en de tijdelijke gevangenisstraffen. De levenslange gevangenisstraf is de zwaarste straf die in Nederland kan worden opgelegd. Levenslang is ook echt levenslang: opsluiting voor de rest van het leven. Die straf reserveert de rechter dan ook voor de ernstigste misdrijven en wordt in de praktijk opgelegd wanneer er (meerdere) levensdelicten zijn gepleegd. De tijdelijke gevangenisstraf bedraagt maximaal 30 jaar.

Bij een veroordeling voor moord kan door de rechter een levenslange gevangenisstraf worden opgelegd. Ook kan de rechter ervoor kiezen een tijdelijke gevangenisstraf op te leggen, die dan maximaal 30 jaar bedraagt. Het strafmaximum voor doodslag is op dit moment 15 jaar gevangenisstraf.

Moord versus doodslag

Artikel 287 Wetboek van strafrecht: “Hij die opzettelijk een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan doodslag, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vijftien jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Artikel 289 Wetboek van strafrecht: “Hij die opzettelijk en met voorbedachten rade een ander van het leven berooft, wordt, als schuldig aan moord, gestraft met levenslange gevangenisstraf of tijdelijke van ten hoogste dertig jaren of geldboete van de vijfde categorie.”

Het verschil tussen moord en doodslag zit hem in de voorbedachte raad. Voor een bewezenverklaring ter zake moord is vereist dat er sprake was van voorbedachte raad, terwijl dit bij doodslag geen vereiste is. Voorbedachte raad betekent dat moet komen vast te staan dat een verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Bij moord wordt iemand dus opzettelijk van het leven beroofd, waarbij de verdachte daaraan voorafgaand de tijd heeft gehad hierover na te denken. De verdachte moet dus de gelegenheid hebben gehad over de betekenis en de gevolgen van de voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij doodslag wordt ook iemand opzettelijk om het leven gebracht, alleen hierbij is er geen voorafgaand moment van beraad geweest. Het is dan niet van te voren gepland.

Voorbedachte raad

Voorbedachte raad vormt derhalve het onderscheidend criterium tussen moord en doodslag. Door de hogere eisen die de Hoge Raad is gaan stellen aan het bewijs van voorbedachte raad, kan in veel minder gevallen worden gekomen tot een veroordeling voor moord. Het moment van beraad voorafgaand aan het levensdelict is vaak lastig te wijzen. Daar waar voorheen dus wel tot een bewezenverklaring van voorbedachte raad (en dus moord) kon worden gekomen, komt de rechter nu niet verder dan een veroordeling voor doodslag. Hierop staat een maximale gevangenisstraf van 15 jaar. Uit de praktijk blijkt dat officieren van justitie en rechters zich in bepaalde gevallen beklagen, omdat ze niet altijd een passende straf kunnen eisen of opleggen. In sommige zaken zijn de feiten en omstandigheden van die doodslag zo ernstig en schokkend, dat 15 jaar gevangenisstraf eigenlijk te weinig is.

Wetsvoorstel

Op 24 september 2020 is er een conceptwetsvoorstel ingediend ´verhoging wettelijke strafmaximum doodslag´. Dit conceptwetsvoorstel komt voort uit de vraag of er tussen de twee strafrechtelijke verschijningsvormen van het doden van een persoon (moord en doodslag) zo´n groot verschil van 15 jaar in de (maximaal) op te leggen straf zou moeten bestaan. Het voorstel houdt een verhoging van het strafmaximum in bij een veroordeling ter zake doodslag. Het strafmaximum dient volgens het voorstel te worden verhoogd naar 25 jaar (i.p.v. 15 jaar). Het conceptvoorstel komt tegemoet aan de wens vanuit de samenleving, het O.M. en de rechtspraak, om het strafmaximum voor doodslag te verhogen, zodat in de meest ernstige gevallen een hogere straf dan 15 jaar kan worden opgelegd. Zo pleitte de rechtbank in Rotterdam voor een hogere maximumstraf bij doodslag na de uitspraak in de zaak-Hümeyra. Bovendien is hiermee het verschil in de maximale strafoplegging (in geval van een tijdelijke gevangenisstraf) bij moord en doodslag minder groot.

Het conceptwetsvoorstel is kort:

Wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van doodslag (verhoging wettelijk strafmaximum doodslag)

VOORSTEL VAN WET

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is enkele bepalingen van het Wetboek van Strafrecht te wijzigen, in verband met de verhoging van het wettelijk strafmaximum van doodslag;

Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Het Wetboek van Strafrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

  1. In het tweede lid wordt ’ten hoogste achttien jaren’ vervangen door ’ten hoogste vijfentwintig jaren’.
  2. In het derde lid wordt ‘de tijd van achttien jaren’ vervangen door ‘de tijd van vijfentwintig jaren’.

B

In artikel 287 wordt ’ten hoogste vijftien jaren’ vervangen door ’ten hoogste vijfentwintig jaren’.

ARTIKEL II

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

De toelichting op het voorstel (de conceptmemorie) is uitgebreider en beslaat 6 kantjes. Daarin wordt nader ingegaan op de behoefte en de onderzoeken die zijn gedaan met betrekking tot het verschil in de strafmaxima en de veranderde verhouding tussen doodslag en moord.

Gevolgen

De verhoging van het strafmaximum van 15 naar 25 jaar gevangenisstraf zal naar verwachting leiden tot een gemiddelde verzwaring van de strafeis door het openbaar ministerie en de strafoplegging door de rechter. Verdachten die na invoering van de uiteindelijke wet worden veroordeeld ter zake doodslag, kunnen zomaar 10 jaar langer in detentie zitten dan verdachten die vandaag nog worden veroordeeld ter zake doodslag.

De gemiddelde duur van de tenuitvoerlegging zal naar verwachting toenemen. Dat heeft betekenis voor het gevangeniswezen, maar ook voor de duur van de periode waarin de reclassering aan gedetineerden begeleiding biedt; dit zal allemaal toenemen.

Wordt er dan altijd een hogere straf opgelegd? Het gaat hier als gesteld om een strafmaximum. Dat betekent dat de rechter in geval van doodslag niet hoger mag straffen dan 25 jaar, maar wel lager mag straffen (bijvoorbeeld alsnog 15 jaar).

De verhoging van de maximumstraf naar vijfentwintig jaar gevangenisstraf, alsook de verhouding daarvan tot de maximale tijdelijke gevangenisstraf voor moord, sluit aan bij de strafmaxima van doodslag en moord die in het Caribisch deel van het Koninkrijk gelden. In zowel Aruba, Curaçao als Sint Maarten gelden voor doodslag en moord, strafmaxima van vierentwintig jaar gevangenisstraf (doodslag) en een tijdelijke gevangenisstraf van 30 jaar dan wel een levenslange gevangenisstraf (moord).

Voordat het conceptwetsvoorstel naar de Tweede Kamer wordt gestuurd, kunnen burgers via internetconsultatie een reactie geven. Daar is – ten tijde van het schrijven van deze blog – tot nu toe 1 reactie binnen gekomen van ‘anoniem’: “Een prima voorstel dat recht doet aan mijn persoonlijke gevoelens op dit punt”.

Eerder al – in 2006 – is het strafmaximum van de tijdelijke gevangenisstraf ter zake moord verhoogd van 20 jaar naar 30 jaar. Ik verwacht dat dit conceptwetsvoorstel er uiteindelijk inderdaad toe zal leiden dat het strafmaximum van doodslag (ook) zal worden verhoogd van 15 jaar naar 25 jaar.

Laatste nieuws: Vervolg op “Een zaak die alleen verliezers kent”

20-09-2020, mr. C. Lammers (Strafrechtadvocaat)

Vervolg op: “Een zaak die alleen verliezers kent“.

In de nacht van 31 december 2018 op 1 januari 2019 vindt er een tragisch ongeval plaats. Die nacht ontploft de aanhanger van mijn cliënt, waardoor een buurman overlijdt. Ruim anderhalf jaar later krijgt die tragische gebeurtenis alsnog een juridisch vervolg.

Op 17 september 2020 heeft er een regiezitting plaatsgevonden bij de rechtbank in Almelo. De verdediging heeft verzocht om nader (forensisch) onderzoek. De rechtbank heeft het verzoek tot het horen van 11 getuigen toegewezen. Lees hier en hier de berichtgeving in de media. Deze getuigen zullen de komende periode gehoord gaan worden. mogelijk leidt het horen van de getuigen ertoe dat toch nog nader forensisch onderzoek zal worden gelast.

Wanneer de inhoudelijke behandeling van deze zaak zal plaatsvinden, is op dit moment nog niet bekend. Dit is afhankelijk van wanneer de getuigen gehoord zijn en of er nadien eventueel nog nader forensisch onderzoek zal moeten plaatsvinden. Houd onze pagina in de gaten voor het laatste nieuws over deze zaak.